print
archief
verslag boumagesprek 2010
Boumagesprek 2010, verslag van een geslaagde avond
Kunstenaars en stedenbouwkundigen reageren op de stad en vertellen hoe het verder moet…
Woensdag 1 december vond onder grote belangstelling, circa 150 bezoekers, in het CBK het jaarlijkse Boumagesprek plaats. Dit jaar geheel in het teken van de groei van de stad. Normaal alleen door architectuurcentrum Platform GRAS georganiseerd, ditmaal in samenwerking met het CBK. Om zo ook de onbevangen blik van kunstenaars te betrekken bij dit brede thema. We zijn gewend geraakt: aan groei…. Economische groei, bevolkingsgroei, welvaartsgroei, groeiende steden, etc. Maar de grenzen zijn bereikt; we moeten daarom alternatieven verzinnen…
Woensdag 1 december vond onder grote belangstelling, circa 150 bezoekers, in het CBK het jaarlijkse Boumagesprek plaats. Dit jaar geheel in het teken van de groei van de stad. Normaal alleen door architectuurcentrum Platform GRAS georganiseerd, ditmaal in samenwerking met het CBK. Om zo ook de onbevangen blik van kunstenaars te betrekken bij dit brede thema. We zijn gewend geraakt: aan groei…. Economische groei, bevolkingsgroei, welvaartsgroei, groeiende steden, etc. Maar de grenzen zijn bereikt; we moeten daarom alternatieven verzinnen…
‘Leek’ Arno van der Heyden, in het dagelijkse leven cabaretier en presentator, die Marijke Roskam vanwege ziekte verving, ontving samen met zijn sidekick, Stadsbouwmeester Niek Verdonk, diverse gasten om deze alternatieven in beeld te brengen. Maar voor zij hieraan begonnen was er een college geschiedenis van Verdonk, om een feitelijke basis te leggen over de groei van de stad vanaf 1947. Verdonk vertelde over het plan van Berlage dat tot voor de oorlog leidend was en ervoor zorgde dat het spoor en het kanaal de grenzen van Groningen vormden. Met oude Falkplankaarten liet hij zien hoe in de jaren zestig de gemeente voor het eerst over het spoor bouwde en een begin maakte met idealistische wijken. Wijken opgebouwd uit stempels met grote binnenruimtes en in elke wijk een eigen winkelcentrum. In de tussentijd liep de teller achter Verdonk op een scherm, die het stijgende inwoneraantal van de stad aangaf, op, tot hij in de jaren zestig een daling inzette. En toen was daar Max van den Berg die de visie compacte stad introduceerde. Naast zijn verkeerscirculatieplan dat tot op de dag van vandaag nog in Groningen functioneert, zorgde Van den Berg voor 10.000 nieuwe en gerenoveerde woningen in de bestaande stad. Maar desondanks verpauperde de stad en zette de daling zich voort. Daarom kwam er het structuurplan van 1986 dat de economische ontwikkeling van de binnenstad moest stimuleren. Verdonk vertelde dat het tot maar liefst 1995 heeft geduurd tot de stad haar omgeving ontdekte: “Ze merkte dat ze behoefte had aan een goed ingerichte omgeving. De komende regiotram is daar een mooi voorbeeld van,” zei Verdonk, “De stad verbindt de regio en andersom”. Even was er Verdonk’s vergelijking met Arnhem dat qua oppervlakte net zo groot is als Groningen, maar 45.000 minder inwoners telt en volgens Verdonk daarom minder levendig is, gevolgd door een waarschuwing dat middelgrote steden hun omgeving leegtrekken en een schraal achterland achterlaten. Maar de gepassioneerde Verdonk, die wel uren kon vertellen, moest zich gewonnen geven aan presentator Van der Heyden, die de eerste gast aan tafel riep: Jan Rothuizen.
Eiland
Beeldend kunstenaar Jan Rothuizen, die maandelijks een tekening maakt voor de Volkskrant, maakte speciaal voor deze avond een tekening met zijn visie op de Groninger binnenstad. Alles wat hij meemaakte en voelde tijdens zijn wandeling door de stad was levensgroot in de zaal te zien. “Ik ben hiermee begonnen in Cairo. Er gebeurde daar zoveel. Daarom voelde ik behoefte dat vast te leggen. Fotograferen lukte niet, dan springt iedereen voor je camera of rent weg. Zo kwam ik op het idee van tekenen.” Onder de indruk zijnde van het aantal zelfmoorden vanaf de Martinitoren, wees Rothuizen in zijn tekening naar de kant van waaraf dit het meeste voorkomt en naar het café De Kosterij waar al een deken klaar ligt, voor het geval dit gebeurt. Hij verbaasde zich over de identiteit die de pleinen van steden in het algemeen, en ook in Groningen, uitstralen. “Jullie hebben chocoladewinkel Australian met Australische chocola uit Veenendaal, Belgisch bier en frieten, een Mexicaan, Goudse stroopwafels, niets Gronings.” Zijn woonplaats Amsterdam was in de rechterbovenhoek van zijn tekening aangegeven en zoals altijd was er de vergelijking over de afstand die voor Groningers korter lijkt dan voor Amsterdammers. Waarop Verdonk ingreep en vroeg: “Is Groningen de moeite waard?”Nou, mijn vriendin heeft hier gestudeerd. Ik vertelde haar dat ik het een heel leuke stad vind, waarop zij zei: dat zeg ik toch altijd. Ik vind dat eilandgevoel heel prettig en ik vind het ook prettig dat mensen je aanspreken.” Na ongeveer tien minuten liet deejay Andy Knopfen, die deze avond de muziek verzorgde, merken dat het tijd was voor een andere gast: Rijksadviseur voor de Infrastructuur, Ton Venhoeven.
Tweede centrum
In een notendop vatte Venhoven samen wat er speelt. “We hebben nu drie werkenden per 65-plusser, dat worden er straks 1,75. Daarom moeten ouderen veel actiever in de samenleving worden.”Tegelijkertijd zei hij “We moeten stedelijke netwerken maken. Een gezonde stad zorgt ervoor dat je daar kunt blijven wonen. Gezien de splendid isolation van Groningen zullen voorzieningen allemaal naar de stad trekken. De regiotram kan hier een oplossing voor bieden. Laat de bejaarden met de regiotram naar de stad komen en creëer daar een dynamisch centrum met winkels, fitnessclubs, etc. er omheen.”Hij ging verder met: “De identiteit van de stad is constant in beweging. We moeten af van het idee dat Groningen één karakter heeft. Juist de verscheidenheid maakt de stad aantrekkelijk. Verdichte bebouwde gebieden naast groen en meer open ruimtes.” En daar was het verrassende idee van Venhoeven: “Creëer een nieuw centrum rondom het station.” Niet als concurrentie van de binnenstad, maar als aanvulling. Mensen worden steeds mobieler. Er is twee tot drie keer zoveel mobiliteit. Dat kunnen we met auto’s alleen niet redden. Vervoersvormen moeten niet met elkaar concurreren, maar elkaar aanvullen. Dat kan in sterke stationsgebieden.” Hij sloot af met: “Het nieuwe werken maakt in samenhang met de toenemende mobiliteitsmogelijkheden ook werken in de Randstad vanuit Groningen mogelijk. We leven in een multi-mobile samenleving.”
Dode operettecomponisten
Het laatste deel van de avond bestond uit een pitch. Gebiedsintendant Hans Venhuizen en kunstenaar en criticus Melle Smets vertelden wat er volgens hen moet veranderen aan het denken over de stad, geïllustreerd met projecten uit eigen praktijk. Voor ze hier de kans toe kregen, wilde Van der Heyden wel eens weten wat nu een gebiedsintendant is, waarop Venhuizen opsomde wat hij zoal is geweest: “Planologisch kunstenaar, cultureel planoloog, planmaster …” Waarnaar Van der Heyden voor een lachende zaal alleen nog maar kon constateren: “Dus je bent eigenlijk een planoloog.”
Venhuizen ziet het als een voordeel van de crisis dat we respectvoller en zorgvuldiger met onze omgeving omgaan. Hij illustreerde zijn bijzonder grappige verhaal met wierden. In de Groningse wijk De Held wordt in de straatnamen daarnaar verwezen. Bij nader onderzoek bleek volgens hem ruimtelijk niets terug te vinden van wierden. Niet in de zin van een verhoging in het landschap, maar ook geen nieuwe toepassing daarvan. “Er is hier een wijk gebouwd die zich in nagenoeg niets onderscheidt van andere wijken in het land. De wierdenwijk bevat geen woningen gebouwd op een subtiele verheffing uit het landschap met een bijzondere typologie ontstaan uit de worsteling met de beperkingen, maar juist uit een verzameling in groene ambiance aan makelaarswater gelegen woonproducten. Perfect uitwisselbaar met andere in eilandachtige setting verzamelden woonproducten waarvan de straten niet, zoals bij de wierden, naar reeds gestorven activistische homoseksuele schrijvers waren vernoemd, maar naar verdwenen Hanzeschepen, dode operettecomponisten, overleden havenbaronnen en vergeten Nederlandse dichters. Wanneer het streven naar uniciteit leidt tot volstrekt uitwisselbare resultaten dan kun je misschien beter de uitwisselbaarheid als uitgangspunt nemen, want deze wijk naar de wierden laten verwijzen is een belediging van de cultuurhistorie terwijl die juist in zijn geactualiseerde vorm zo rijk kan zijn. U woont volgens mij dan in de toekomst ook beter in de woonproductsteeg aan de projectontwikkelaarsdroomsegracht in de winstmaximalisatiewijk dat lijkt me een stuk correcter.” Hij sloot af met: “Naamgeving lijkt misschien een bijzaak in een ruimtelijk ontstaansproces, maar is dat zeker niet wanneer je uitwisselbare woningen realiseert aan naar dode schrijvers genoemde straten onder een verwijzing naar historische wierden dan lijk je me behoorlijk verdwaald in je zoektocht naar identiteit.” Zelfs het liegen van een historische aanleiding zoals in zijn eigen ontwerp voor nieuwe wierden uit baggerslib kan volgens hem nog tot een authentiek eigentijds resultaat leiden.
Venhuizen ziet het als een voordeel van de crisis dat we respectvoller en zorgvuldiger met onze omgeving omgaan. Hij illustreerde zijn bijzonder grappige verhaal met wierden. In de Groningse wijk De Held wordt in de straatnamen daarnaar verwezen. Bij nader onderzoek bleek volgens hem ruimtelijk niets terug te vinden van wierden. Niet in de zin van een verhoging in het landschap, maar ook geen nieuwe toepassing daarvan. “Er is hier een wijk gebouwd die zich in nagenoeg niets onderscheidt van andere wijken in het land. De wierdenwijk bevat geen woningen gebouwd op een subtiele verheffing uit het landschap met een bijzondere typologie ontstaan uit de worsteling met de beperkingen, maar juist uit een verzameling in groene ambiance aan makelaarswater gelegen woonproducten. Perfect uitwisselbaar met andere in eilandachtige setting verzamelden woonproducten waarvan de straten niet, zoals bij de wierden, naar reeds gestorven activistische homoseksuele schrijvers waren vernoemd, maar naar verdwenen Hanzeschepen, dode operettecomponisten, overleden havenbaronnen en vergeten Nederlandse dichters. Wanneer het streven naar uniciteit leidt tot volstrekt uitwisselbare resultaten dan kun je misschien beter de uitwisselbaarheid als uitgangspunt nemen, want deze wijk naar de wierden laten verwijzen is een belediging van de cultuurhistorie terwijl die juist in zijn geactualiseerde vorm zo rijk kan zijn. U woont volgens mij dan in de toekomst ook beter in de woonproductsteeg aan de projectontwikkelaarsdroomsegracht in de winstmaximalisatiewijk dat lijkt me een stuk correcter.” Hij sloot af met: “Naamgeving lijkt misschien een bijzaak in een ruimtelijk ontstaansproces, maar is dat zeker niet wanneer je uitwisselbare woningen realiseert aan naar dode schrijvers genoemde straten onder een verwijzing naar historische wierden dan lijk je me behoorlijk verdwaald in je zoektocht naar identiteit.” Zelfs het liegen van een historische aanleiding zoals in zijn eigen ontwerp voor nieuwe wierden uit baggerslib kan volgens hem nog tot een authentiek eigentijds resultaat leiden.
Rommelzones
Smets nam de Binckhorst in Den Haag als voorbeeld. Hij vertelde dat deze wijk min of meer vanzelf is ontstaan. “Mensen die niet gewenst waren, werden uit de stad gejaagd, zo ontstaan nieuwe gebieden. In dit deel zijn maar liefst zes kerken gevestigd. En een begraafplaats. Katholieken waren namelijk niet welkom in het protestantse Den Haag; ze zijn daarom hier verscholen. Maar zoals het altijd gaat, alles moet netjes zijn. Opgeruimd. Geen rommelzones. Daarom is de gemeente al een hele tijd bezig een masterplan in deze wijk uit te voeren. Ze kocht veel gebieden op en infiltreert hier langzaam. Maar de stad zit niet in gebouwen, deze zit in mensen. Een worst bij de HEMA in Maastricht smaakt hetzelfde als hier, maar hij komt tot leven als de dame die hem verkoopt spreekt. Daarom moeten we stoppen met de dingen te stroomlijnen. Anders vinden er geen botsingen meer plaats.” Smets illustreerde dat met de bekende ondergrondse vuilcontainers. “Het is juist goed om te zien of mijn buurman de vuilnis buiten zet. Doet hij dat niet, dan ontstaat er wrijving. Dat is goed” Daarna zei hij: “We moeten stoppen met uitbreiden. Daarom moeten we een programma maken voor in de stad. De stad is een product geworden. We hebben geen idee meer waar we vandaan komen.”
Zowel Verdonk als Venhoeven reageerden buitengewoon enthousiast op Smets’ verhaal. Venhoeven: “Frictie in de openbare ruimte is juist ontzettend gezond.”
Voordat de ingevlogen presentator een laatste vraag stelde, reageerde Verdonk: “We moeten voortdurend concurreren. Er is een massieve druk om de stad af te maken. Het is een illusie om de stad zo te verkopen.” Verdonk’s laatste woorden aan Van der Heyden voordat laatstgenoemde iedereen voor de borrel uitnodigde: “Het zit in de genen van de stad om interventies toe te laten. Daar ben ik ongelooflijk gelukkig mee. Daarom ben ik zo blij met dit debat; het is goed de stad te confronteren met externen.”
Het bleef nog lang onrustig in het CBK, rond 23.30 uur ging de laatste gast de deur uit.
Tekst: Ronald Rooijakkers
Voordat de ingevlogen presentator een laatste vraag stelde, reageerde Verdonk: “We moeten voortdurend concurreren. Er is een massieve druk om de stad af te maken. Het is een illusie om de stad zo te verkopen.” Verdonk’s laatste woorden aan Van der Heyden voordat laatstgenoemde iedereen voor de borrel uitnodigde: “Het zit in de genen van de stad om interventies toe te laten. Daar ben ik ongelooflijk gelukkig mee. Daarom ben ik zo blij met dit debat; het is goed de stad te confronteren met externen.”
Het bleef nog lang onrustig in het CBK, rond 23.30 uur ging de laatste gast de deur uit.
Tekst: Ronald Rooijakkers
